Omschrijving
Inleiding
Vanuit een periode van relatieve financiële rust zijn we inmiddels beland in een periode waarin de kosten van de uitgaven van onze taken en ambities de inkomsten overstijgen. Om de begroting 2025 sluitend te krijgen hebben we al een aantal ombuigingen moeten verwerken. In deze sturingsmonitor kijken we vooruit naar de financiële realiteit van 2025 en naar het opstellen van de begroting 2026 en de jaren daarna tot en met 2029.
Risico’s en onzekerheden
Er speelt een aantal (grotere)risico’s en onzekerheden rond het opstellen van de begroting en meerjarenraming waarvan de gevolgen (nog) niet of maar deels zijn verwerkt of zich lastig laten voorspellen. De belangrijkste hiervan worden hieronder toegelicht.
Inflatie
De (hoge) inflatie van de afgelopen tijd, als gevolg van hoge energieprijzen en CAO stijgingen werkt nog (steeds) door in onze begroting. Dit heeft invloed op heel veel budgetten. We hebben o.a. zorgen over onze salariskosten en het sociaal domein waarin sterke CAO-verhogingen doorwerkt in de door de zorgaanbieders gehanteerde tarieven.
Meerjarenonderhoudsplannen (MJOP's)
Om de verschillende onderhoudsvoorzieningen goed te kunnen onderbouwen, zijn actuele MJOP's noodzakelijk. Deze worden op het moment opgesteld en doorgerekend. Naar verwachting zullen hier hogere onderhoudskosten uit voortvloeien maar deze zijn op het moment van de collegevaststelling van de sturingsmonitor nog niet bekend.
Hervormingsagenda jeugd
De Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 legt een aanzienlijke financiële druk onze gemeente, met een geplande besparing vanaf 2027. De haalbaarheid hiervan is onzeker, zoals ook geconcludeerd door de onafhankelijke Deskundigencommissie Jeugd in haar recente adviesrapport "Groeipijn". Zij waarschuwt dat deze besparing mogelijk niet realistisch is zonder de kwaliteit en beschikbaarheid van jeugdzorg in gevaar te brengen. Dit vormt een financieel risico voor onze gemeente, aangezien de kosten mogelijk niet binnen de beschikbare middelen kunnen worden opgevangen. Daarnaast blijven de financiële afspraken tussen het Rijk en gemeenten onderwerp van discussie, wat leidt tot onzekerheid over toekomstige budgetten. De Deskundigencommissie Van Ark en de VNG pleiten voor een herziening van deze afspraken door het Rijk, zodat gemeenten niet onevenredig belast worden en de structurele houdbaarheid van de jeugdzorg gewaarborgd blijft.
Gemeentefonds(ravijnjaar)
Binnen de algemene uitkering(AU) uit het gemeentefonds is het ‘ravijnjaar’ inmiddels een bekend begrip. Als basis hebben we de situatie conform het meerjarenbeeld uit de begroting 2025 genomen. Daarna is nog de najaarsnota vastgesteld wat leidde tot een aantal kleinere aanpassingen en is gebleken dat binnen het Gemeentefonds het volume-accress onjuist is vastgesteld. Dat laatste is in de decembercirculaire gecorrigeerd. Deze mutaties leiden tot het onderstaande (iets positievere) beeld. Voor onze gemeente leidt dit in 2026 tot een structureel tekort van bijna € 1,34 mln. Het tekort loopt op tot 1,46 mln. in 2025. We hebben daarbij dus nog te maken met een aantal onzekerheden in de lopende uitgaven, in de nog te realiseren bezuinigingen en daarnaast met de nog komende meicirculaire en een lobby in verband met het ravijnjaar vanuit het VNG.
Meerjarenbeeld 2025 - 2029 |
|
|
|
|
|
|
2025 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
Begrotingssaldo begroting 2025 |
92.000 |
-1.440.000 |
-1.445.000 |
-1.752.000 |
-1.752.000 |
Najaarsnota |
-17.140 |
-17.140 |
-17.140 |
-17.140 |
-17.140 |
Correctie volume-accress AU |
77.000 |
112.000 |
186.000 |
260.000 |
298.000 |
|
|
|
|
|
|
Actueel begrotingssaldo |
153.885 |
-1.343.114 |
-1.274.113 |
-1.507.112 |
-1.469.111 |
Ombuigingsvoorstellen
In de begroting 2025 is er begonnen met het ombuigingsproces. Dit is op twee manieren gedaan. Ten eerste zijn een aantal maatregelen opgenomen in de begroting 2025 en in het financieel meerjarenperspectief. Hierbij is door de provincie aangegeven dat de taakstellende besparing op Gemeenschappelijke Regelingen niet concreet genoeg is en daarom niet meegenomen mag worden in het meerjarenperspectief 2025. Ten tweede is aan uw raad een aantal ombuigingsrichtingen gegeven. Hierover is tijdens de begrotingsvergaderingen 2025 gesproken. De door u tijdens deze vergadering gegeven input nemen wij mee.
Om het tekort om te buigen is inmiddels een proces gestart waarbij we eerst een aantal uitgangspunten en mogelijkheden hebben verkend.
Een eerste keuze waar we voor staan is bepalen of we in 2026 een sluitende begroting willen hebben of dat we streven naar een sluitend meerjarenperspectief waarbij we in 2029 op € 0 uitkomen. Gezien het hoge bedrag dat we in 2026 dan moeten bezuinigen en de korte termijn waarbinnen dit moet gebeuren, wordt uw raad voorgesteld te kiezen voor een sluitend meerjarenperspectief.
Als tweede keuze wordt voorgesteld te kiezen voor een ingroeipad waarbij we gefaseerd toegroeien naar een sluitende begroting in 2029. Voorwaarde hierbij is wel dat voor het gehele tekort ad € 1,46 mln een concreet pakket aan maatregelen wordt vastgesteld dat dan gefaseerd ingevoerd kan worden.
Als derde keuze wordt voorgesteld incidentele tekorten in de tussenliggende jaren te dekken uit de Vrije Algemene Reserve (VAR) of het weerstandsdeel van de Algemene Reserve (WAR). Om het gebruik van de VAR voor incidentele budgetten beperkt te houden willen we de termijn waarbinnen deze middelen moeten worden besteed beperken. We stellen daarbij voor als extra financieel uitgangspunt de voorwaarde toe te voegen dat incidentele budgetten (vanuit de algemene middelen) slechts één keer mogen worden doorgeschoven naar een volgend jaar.
Een vierde keuze die voorligt, is de aard van de ombuigingen. We zullen keuzes moeten maken en snijden in onze taken en ambities. Een technische oplossing zoals de kaasschaaf over alle budgetten en belastingverhogingen alleen, is waarschijnlijk niet voldoende. Welke taken en ambities voeren we niet meer uit of kunnen versoberd worden. Ook kan gedacht worden aan het uitfaseren van bepaalde taken, in een aantal jaren afbouwen met incidentele middelen. Keuzes hierin raken ook de organisatie.
Een vijfde keuze die voorligt gaat over de ambities in 2026. We vragen uw raad om in te stemmen met een beleidsarme begroting 2026. Nieuwe wensen en ambities leiden immers tot verhoging van de ombuigingstaakstelling. Om het tekort om te buigen is inmiddels een proces gestart waarbij we eerst een aantal uitgangspunten en mogelijkheden hebben verkend.
Om keuzes mogelijk te maken streven we naar een pakket van mogelijke ombuigingen dat hoger is dan het begrote tekort. We verwachten uw raad een overzicht van mogelijkheden te laten zien in een opinierende raadvergadering op 12 juni van dit jaar. In september willen we dan met een concept begroting bij u terugkomen.
Prijsontwikkeling
Voor de berekening van de prijsontwikkeling gaan wij in de trendmatige ontwikkelingen uit van 2 indexcijfers. Voor het bepalen van deze indexcijfers gaan wij uit van de meest recente meicirculaire. Voor salarissen hanteren wij de index van loonvoet sector overheid. Of dit voldoende is, is afhankelijk van de (lopende) CAO onderhandelingen. Bij substantiële afwijkingen komen wij met een voorstel tot bijstelling. Voor de overige onderdelen geldt de prijsindex overheidsconsumptie (netto materieel). Opgemerkt wordt dat voor de inkomensoverdrachten naar instellingen, waarvan de loonkosten de grootste kostenpost is, deze ook worden geschaard onder de index van loonvoet sector overheid.
Voor de meerjarige reeks met percentages van de verschillende indexen wordt u verwezen naar de begroting 2025. Bij de behandeling van de begroting 2023 is afgesproken dat de inkomsten de uitgaven volgen in het hanteren van de percentages van inflatiecorrectie. Dit om de inkomsten en uitgaven op hetzelfde niveau te houden.
Financiële uitgangspunten 2026 - 2029
De uitgangspunten kennen zoveel mogelijk een bestendig karakter. De bestuurlijk toezichthouder toetst dit ook. Wij zien echter nu, gezien de verwachte tekorten, aanleiding om deze uitgangspunten (deels) aan te passen en er één aan toe te voegen.
Hieronder treft u de uitgangspunten aan voor de begroting 2026. Hierbij is ten opzichte van vorig jaar uitgangspunt 1 aangepast, uitgangspunt 12 nieuw toegevoegd.
1. We streven naar een structureel sluitende meerjarenbegroting in 2029. Hierbij worden structurele lasten structureel geraamd. De begroting 2026 is niet sluitend maar middels een ingroeipad (fasering) gaan we naar een sluitende begroting 2029 toe. We stellen daartoe een pakket ombuigingen vast. De begroting 2026 is beleidsarm.
2. We baseren de begroting op de laatst gepubliceerde meicirculaire en zorgen voor een realistische raming van de algemene uitkering waarbij structurele ruimte wordt gecreëerd voor het opvangen van onverwachte gebeurtenissen. Het weerstandsvermogen moet voldoende zijn om de onzekerheden en risico’s op te vangen.
3. Het Weerstandsdeel Algemene Reserve (WAR) behoudt een ondergrens van € 5,7 mln. De Vrije Algemene Reserve (VAR) behoudt een ondergrens van € 3,0 mln.
4. We willen Rijksregelingen uitvoeren met rijksmiddelen, zonder ‘plus’.
5. Tijdens het proces van het opstellen van de begroting komen we tot een integrale afweging of een aanvullende bezuinigingstaakstelling noodzakelijk is.
6. De (eventuele) taakstellende bezuinigingen in het begrotingsjaren 2026 -2029 worden concreet ingevuld.
7. Bij het niet (kunnen) realiseren van een bezuinigingstaakstelling op een taakveld binnen een pijler dient bij voorkeur primair binnen dezelfde pijler een alternatief te worden gevonden. Indien dit niet mogelijk is dan dient een alternatief te worden gevonden door integrale afweging binnen alle pijlers (procesafspraak).
8. Bij het opvoeren van nieuw beleid / nieuwe wensen dient dekking te worden aangegeven voor hetzelfde begrotingsjaar. Of aangegeven dient te worden welk oud beleid plaats maakt voor het nieuwe.
9. De toevoegingen in de algemene uitkering uit het gemeentefonds die we van de rijksoverheid ontvangen voor specifieke beleidsvelden / intensiveringen (de zogenaamde taakmutaties) worden in principe niet omgezet in ‘stelposten’ voor de bedoelde beleidsterreinen/intensiveringen.
10. Inkomstenontwikkeling: er wordt uitgegaan van een verhoging van de tarieven (niet zijnde belastingen) met het geldende prijsindexcijfer voor overheidsconsumptie, netto materieel (inflatiecorrectie) uit de meest recente circulaire. Uitzonderingen hierop zijn de tariefsverhogingen die onderdeel zijn van het bezuinigingstraject. Voor de kostenontwikkeling wordt uitgegaan van datzelfde prijsindexcijfer met uitzondering van de loonontwikkeling. Daarvoor wordt het prijsindexcijfer voor loonvoet sector overheid gebruikt zoals dat bekend is op het moment van opstellen van de (werk)begroting.
11. De onroerende zaakbelastingen, de forensenbelasting, de toeristenbelasting, het rioolrecht en de afvalstoffenheffing volgen niet de systematiek onder punt 10 genoemd. Waarbij voor rioolrecht en afvalstoffenheffing een kostendekkend tarief wordt gehanteerd en het college voor de belastingen een afzonderlijk voorstel doet.
12. Incidentele budgetten (vanuit de algemene middelen) mogen slechts één keer worden doorgeschoven naar een volgend jaar.
Voorstellen
In deze kadernota zijn een aantal voorstellen gedaan. Wanneer u akkoord gaat met de financiële kadernota, gaat u akkoord met de volgende voorstellen:
1. Te streven naar een meerjarig sluitende begroting in 2029;
2. We stellen voor dit te doen doormiddel van het ingroeipad;
3. Voorgesteld wordt om de tekorten in de tussenliggende periode te dekken uit de VAR dan wel de WAR;
4. Om bij de ombuigingen te gaan snijden in taken en ambities. Ook gaat er gekeken worden naar het uitfaseren van taken;
5. De begroting 2026 beleidsarm te maken.